Voortplanting bij zoetwater bryzoën

Switch to English
English

  1. Introductie
  2. Weblog
  3. Dank
  4. Bronnen en links
  5. Beschrijving methode
  6. Zoeken

Drie manieren van voortplanting

Bryozoën zijn bijzonder in de zin dat ze drie manieren hebben om zich te vermeerderen:

  1. Seksuele voortplanting
  2. Overlevingskapsules (a-seksueel)
  3. Knopvorming (a-seksueel)

Alle drie de manieren om te vermeerderen worden, afhankelijk van de omstandigheden, toegepast.
De seksuele voortplanting is van voordeel bij veranderende omstandigheden, de soort kan zich door grotere genetische variatie aanpassen.
De a-seksuele voortplanting is van voordeel bij stabiele omstandigheden, de soort kan zich met minder inspanning handhaven en uitbreiden. Bij a-seksuele voortplanting worden genetisch identieke individuën (klonen) gevormd.

Seksuele voortplanting

Afhankelijk van de soort is de individuele bryozo (zoöide) of de kolonie tweeslachtig (hermafrodiet). Op een gegeven moment, als de omstandigheden gunstig zijn, wordt door een zoöide zaadcellen (spermatozoïden) en/of eicellen gemaakt die binnen de kolonie elkaar bevruchten.
Afhankelijk van de soort wordt het aldus ontstane embryo sneller of langzamer uitgestoten, waarna het enkele uren als plankton ronddrijft. Het embryo kan ook middels zweepcellen zelf wat rondzwemmen. Als een gunstige plek gevonden kan worden voor het embryo ten gronde gaat, dan zal het embryo zich nestelen (aanhechten) en uitgroeien tot één zoöide.
Bij de meeste soorten is het embryo, tegen de tijd dat het voldoende ontwikkeld is om zich te verstigen, negatief fototactisch. Dit wil zeggen dat het embryo actief schaduw zoekt. De meer recent gangbare verklaring hiervoor is dat schaduw veelal samenhangt met beschutting tegen neerdalend slib. Dit laatste is belangrijk voor soorten die niet voldoende in staat zijn slib van zichzelf te verwijderen (alle behalve C. mucedo).
Oudere verklaringen gingen er van uit dat bryozoën lichtschuw waren en schaduw nodig hadden om te overleven. Hier is men van teruggekomen.

Overlevingskapsules

De twee groepen bryozoën (Phylactolaemata en Gymnolaemata) hebben verschillende overlevingskapsules: statoblasten en hybernacula. Overlevingscapsules zijn bedoeld om barre tijden (koude, voedselschaarste, droogte) te overleven én om de soort te helpen de huidige leefomgeving verder te koloniseren.

Phylactolaemata

De Phylactolaemata soorten maken statoblasten. In een statoblast zit één of hooguit twee zoöiden ingekapseld in een taai en hard chitinekapsel. Uit onderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat statoblasten van sommige soorten (met haakjes aan de buitenkant) aan watervogels blijven hangen en zo naar andere wateren getransporteerd worden. Een andere manier van verplaatsen is via de maag van watervogels, als ze waterplanten opeten waar overlevingskapsules aan zijn vastgehecht.
Statoblasten zijn er in twee soorten:

  1. Drijvende, ook wel floatoblasten genoemd
  2. Niet-drijvende, ook wel sessoblasten genoemd

Niet alle soorten Phylactolaemata bryozoën maken beide typen.

De drijvende statoblasten (floatoblasten) helpen een soort om een blijkbaar gunstige plek verder te koloniseren over grotere afstanden én helpen de soort verplaatsen naar andere habitats. De floatoblasten hebben een met gas gevulde drijfring, waardoor ze aan het oppervlak gaan drijven en zich zo verspreiden t.o.v. de oorspronkelijke plek van de kolonie.

De niet-drijvende statoblasten (sessoblasten) kunnen bij ontstaan aan de zoöide wand gehecht zijn. In dat geval blijven ze bij afsterven van de zoöide vastgehecht aan de plaats waar de zoöide groeide en behouden zo een bewezen gunstige groeiplek.
Als sessoblasten vrij in de lichaamsholte van de zoöide ontstaan, dan zullen ze bij afsterven van de zoöide naar beneden vallen en zo de kolonisatie van de plek in die richting voortzetten.

Sommige soorten maken één statoblast per zoöide, andere meerdere.

Er zijn significante verschillen in statoblast-vorm die goede kenmerken zijn voor een soort.

Gymnolaemata

De Gymnolaemata bryozoën maken géén statoblasten, maar in de plaats daarvan hybernacula. Dit zijn taaie, bruine en onregelmatig gevormde kapsules waarin een knopvorm van een zooide 'slaapt' of overwintert en wacht op betere tijden. De hybernacula zit vast aan de kolonie en blijft dus dicht in de buurt van de kolonie als die afsterft.

Knopvorming

Als een nieuwe zoöide zich heeft gevestigd, of een bestaande kolonie is in voldoende goede omstandigheden om zich uit te breiden, dan wordt er een nieuwe groei-knop gevormd. Er wordt middels afsnoering een kloon gevormd van de bestaande zoöiden, zodat de kolonie zich vrij snel en in meerdere richtingen tegelijk zal uitbreiden.

Voortplanting en milieu omstandigheden

Statoblasten en hybernacula worden gevormd in reactie (voorbereiding?) op:

  1. Afname van voedsel beneden een kritische grens
  2. Afname van watertemperatuur beneden een kritische grens

Eigen waarnemingen

In mijn favoriete duikmeer groeien veel kolonies bryozoën snel uit zodra de watertemperatuur boven de circa 14 °C komt. Anderhalve maand later (begin juni), als de voorjaarsalgenbloei geweest is en het voedsel schaars, sterven veel kolonies af, om eind juli - begin augustus weer uit te groeien.
Vanaf half oktober is er dan weinig ontwikkeling meer en zodra de watertemperatuur onder de 9 - 10 °C komt (eind oktober, begin november) zijn ineens alle bryozo kolonies verdwenen.

Er zijn grote verschillen in voortplanting tussen soorten.
Bij Cristatella groeien enkele kolonies uit statoblasten, die vervolgens sexueel voortplanten, wat tot een groot aantal kolonies leidt (soms honderden) die vlak bij de oorspronkelijke kolonie vormen. Na een week of zes sterven deze kolonies, vol met statoblasten, af. Enkele weken later vormen zich nieuwe kolonies uit de statoblasten, die wegens voedselschaarste en temperaturen die aan de hoge kant zijn wat miezerig blijven. Gedurende de zomer en het najaar (tot medio/eind oktober) zijn nog twee generaties waar te nemen.
Pectinatella kent slechts één generatie per jaar, in ieder geval in Nederland, mogelijk dat in warmere gebieden meer generaties voorkomen.
Plumatella en Fredericella heb ik minder zorgvuldig gevolgd, maar lijken minstens twee, mogelijk drie generaties per groeiseizoen te kennen. Ook Paludicella heeft minstens twee generaties.

Sexuele voortplanting is voor een duiker in het veld niet waar te nemen.