Pectinatella magnifica (Leidy 1851)

Switch to English
English

  1. Meer informatie
  2. Foto's
  3. Microscoop foto's en video's
  4. Statoblasten

Voorstel voor Nederlandse naam: Schitterende bryozo of mosdier

Pectinatella magnifica

Systematiek

Klasse Familie Genus Soort Beschreven door
Phylactolaemata Lophopodiae Pectinatella P. magnifica Leidy 1851

Synoniemen

De volgende synoniemen zijn gebruikt voor Pectinatella magnifica:

  1. Cristatella magnifica (Leidy 1851)
  2. Pectinatella magnifica (Allman 1856)

Beschrijving

Zie ook de algemene klasse en orde beschijving in de systematiek pagina.
Bij de beschrijving wordt een combinatie van literatuur gebruikt.

Algemeen Vormt zeer grote kolonies, tot 2 m doorsnede
Kolonies zijn altijd uit duidelijk herkenbare rosetten van zooiden gevormd
Kleur Wit door de tentakelkransen, boven water bruinig
Tentakelkrans Tentakelkrans hoefijzervormig met 50 - 80 tentakels.
Afmetingen Eén zoöide is ?? lang
Een kolonie maximaal 2 m in diameter
Statoblasten Statoblasten drijven (floatoblasten) en zijn zadelvormig met een enkele rij afgeplatte gehaakte uitsteeksels langs de rand van de annulus
Leefomgeving Kunnen zowel gehecht aan verschillende soorten substraten als vrij zwevend in het water voorkomen.
Nooit on stromend water of bij temperaturen beneden 20° C
Verspreiding Vooral in Noord Amerika, op diverse plaatsen in Europa aangetroffen, ook in Nederland
Temperatuur Warmer dan 16ēC, daaronder sterft de kolonie af.
Verdere afkoeloing kan gedurende korte tijd verdragen worden (eigen waarneming).
Aanvullend In 2004 zijn de statoblasten voor het eerst in Nederland aangetroffen - in Waterschap Hunze & AA (Groningen & Drente) in de Oostermoersevaart, een traag stromende toevoerstroom aan het Zuidlaardermeer. Daarna is de soort daar jaarlijks (t/m 2009) waargenomen.
In 2009 is P. magnifica ook in een vijver in Tilburg en in de Piepertkolk in Zwartsluis waargenomen.

Relevante literatuur

Nog aan te vullen

  1. [Mundy] - A key to the British and European Freshwater Bryozoans
  2. [Wood II] - A new key to the freshwater bryozoans of Britain, Ireland and Continental Europe

Eigen waarnemingen

  1. 17 september 2005 zijn de kolonies daarwerkelijk gevonden en gefotografeerd
  2. De watertemperatuur was op het moment van fotograferen 16° C, de dag ervoor nog 18° C.
    De zichtdiepte circa 25 cm. De vaart waar ze in leven heeft bruinig veenwater met vrij veel gesuspendeerde deeltjes. De bodem is dan ook slibrijk.
  3. De grootste kolonies waren te vinden op circa 20 cm onder het wateroppervlak onder een brug en onder een boot die onder de brug vast lag. De kolonies groeiden onder en over de rand van een betonnen ligger, maar niet echt aan de zijkant van de rand.
    Kleinere kolonies waren her en der op waterplanten langs de kant te vinden.
    Op de houten meerpaal voor de brug groeiden géén kolonies. De 1/3 meest stroomopwaards gelegen delen van de brug hadden ook géén kolonies. Mogelijk is de stroomsterkte daar te groot.
  4. De eerste aanblik was als van een groep kolonies C. mucedo die ongewoon dicht naast elkaar groeiden. Iets betere waarneming gaf aan dat dit onmogelijk het geval kon zijn.
  5. De kleine kolonies op de waterplanten waren bolvormig en zagen er pluizig uit (zie foto's).
  6. Net als C. mucedo zijn de poliepen niet erg geneigd zich terug te trekken. De toch behoorlijke verstoring die ik veroorzaakte met mijn fototoestel kon ze niet verleiden tot terugtrekken. Na duidelijk moeite te hebben gedaan is het wel gelukt - zie foto's.
  7. Enkele dagen later wat verder in de buurt rondgekeken en massieve kolonies op de onderkant van een ponton vlak bij de brug gevonden. Meer dan een meter in diameter. De halve onderkant van de ponton was begroeid met P. magnifica. Verder prachtige kolonies spons (Spongilla fluvatilis)
  8. Ook een bolvormige kolonie op de stengel van een waterlelie gevonden, diameter circa 10 cm.
  9. De meeste kolonies groeiden op de onderkant van de brug of op boten en ondiep (circa 20 cm diepte). Daarnaast waren er enkele kolonies die op structuren, zoals een gezonken roeiboot, op de bodem groeiden, tot 1 meter diepte.
  10. Sommige kolonies waren al in verval, veruit de meeste nog niet. Er ontstonden dan dunne wittige ijle structuren die circa 3 keer zo hoog waren als de kolonie zelf. Zie ook de foto's.
  11. Eén van de kolonies op retour meegenomen:
    De kolonie voelt geleiachtig aan en is wat slijmerig
    De kolonie heeft een lichte visgeur
    De kolonie basis - de geleimassa - is transparant en niet gekleurd
  12. In de nabijheid groeide ook P. fungosa, c. mucedo én een mij onbekende hydroidpoliep. Daarnaast was lokaal massaal Spongilla fluvatilis (zoetwaterspons) aanwezig.
  13. Op 14 oktober 2005 nog eens gaan kijken. Vrijwel (!) alle kolonies waren in verval. Op sommige plaatsen was statoblastvorming goed te zien. Sommige kolonies waren nog actief. De watertemperatuur was 16° C, maar moet, gezien metingen de week ervoor in een nabijgelegen meer, ook 14° C zijn geweest.
  14. Een week later gingen bevriende duikers kijken en troffen geen enkele kolonie meer aan. De watertemperatuur was inmiddels gedaald naar circa 13° C en dit was dus duidelijk te laag.
  15. Wat opvalt is dat er blijkbaar spreiding is, mogelijk zelfs per individu, ten aanzien van de temperatuur gevoeligheid.
  16. Iets anders dat mij opvalt is dat P. magnifica hele grote kolonies maakt en daar blijkbaar een heel seizoen over doet. In augustus was er in geen enkele door mij bekeken kolonie enig teken van verval te vinden. Dat betekent dat de individuele levensduur van één zooide maximaal een seizoen moet zijn. Dat is véél langer dan bij de andere mij bekende soorten. C. mudedo bijvoorbeeld is meestal na 6 tot 8 weken weer weg en bij P. articulata is een grote kolonie aan het einde van het seizoen voor de helft al weer afgestorven. Ook de literatuur geeft een levensduur per zooide van circa 6 weken. Aan de andere kant betekent het ook dat de voedselaanvoer minder fluctueert dan in een meer, waardoor constante groei ook werkelijk mogelijk is.
  17. Op 17 juni 2006 opnieuw gaan kijken. De watertemperatuur was 21° Celcius, de zichtdiepte circa 30 cm. Omdat het al een tijdje niet geregend had was er geen stroming. Op diverse plaatsen waren er al P. magnifica colonies in ontwikkeling. De grootste waren bijna hand groot, de kleinste bestonden uit 2 poliepen en waren net uit de statoblast ontsproten. Ook waren er nog diverse statoblasten niet uitgekomen. Blijkbaar heeft P. maginifica een brede spreiding in het moment waarop statoblasten uitlopen. Lijkt mij een prima strategie om met onzekere temperaturen en voedselhoeveelheden om te gaan. Het valt mij op dat bijvoorbeeld C. mucedo in veel kortere tijd massaal uitgroeit.